Lichaamslengte uit het militieregister 1828

Uit Geboren in 1809

Ga naar: navigatie, zoeken


In 1828 moesten de in 1809 geboren mannen zich melden voor de Nationale Militie. Bij registratie werd naast o.a. naam, geboortedatum en -plaats, beroep, gegevens van ouders ook veelal de lengte van de ingeschrevene genoteerd en soms, in verband met eventuele afkeuring, ook andere lichaams- en geesteskenmerken. Van 113 in Tilburg in 1809 gedoopte mannen is bekend dat ze 19 jaar of ouder zijn geworden en dus hiervoor in aanmerking kwamen.


Een twintigtal van hen is echter niet in het Tilburgse militieregister teruggevonden. Van een deel daarvan is bekend dat ze zijn verhuisd. Van enkele mannen is in de militieregisters de lengte niet opgegeven. Per saldo is van 84 in Tilburg in 1809 gedoopte mannen bij de recrutering in 1828 de lichaamslengte vastgelegd.


.
Voorbeeld-pagina uit het militieregister van 1828 met vermelding van Donders Petrus
en opmerking 1 jaar vrijgesteld zwak gestel.

De registratie van de lichaamslengte gebeurde in oude maten. Die maten hadden in 1828 al wel de nu gangbare decimale betekenis. De el was 1 meter, de palm 10 cm, de duim 1 cm en de streep 1 mm. De in het militieregister opgegeven cijfers kunnen dus rechtstreeks volgens het metrieke stelsel geïnterpreteerd worden met dien verstande dat een 0 (nul) niet werd genoteerd; in plaats daarvan werd de notering opengelaten.
De decimale interpretatie is in 1816 ingevoerd. Daarvóór wilde de betekenis van de gehanteerde maten nogal per plaats verschillen. Je had bijvoorbeeld de Brabantse el, de Amsterdamse el, de Haagse el etc., die varieerde rond de 69 cm.


De gemiddelde lengte van de jonge Tilburgse mannen was 162.3 cm.


Deze lengte komt goed overeen met wat De Beer (2004) geeft als gemiddelde lengte voor dienstplichtigen in Nederland, geboren in 1800 en 1830, nl. 163.0 resp. 162.7 cm. Vrouwen waren volgens dezelfde auteur in die tijd zo’n 6 cm korter. Het beeld dat wij in de loop van de geschiedenis alsmaar groter zijn geworden is niet helemaal juist. Er zijn bijvoorbeeld schattingen uit archeologisch onderzoek van een middeleeuwse lichaamslengte van rond de 170 cm. En halverwege de 19e eeuw was er sprake van een dip in lichaamslengte als gevolg van honger, epidemieën en armoede in de veertiger jaren van die eeuw (o.a. door aardappelziekten en hoge graanprijzen als gevolg van oorlogen in Europa). Maar daarna was er een gestage groei. Nederlandse dienstplichtigen waren in 1900 1.69 m, halverwege de 20ste eeuw 1.75 m en rond 1980 al 1.80 m (Hoogendoorn, 1986). We werden de langste Europeanen. Momenteel (Statistisch Jaarboek 2004 van het CBS met cijfers van 2002) staat de lat op 182.8 cm voor jonge mannen en 169.8 voor jonge vrouwen. De groei schijnt er inmiddels een beetje uit te zijn. U zou dus echt opvallen als u zich in 1809 op de vrijdagse markt op het Heike zou vertonen; u zou over de hoofden heen kunnen kijken.


De lichaamslengte was voor onze Tilburgers rond dat gemiddelde niet normaal verdeeld. Enerzijds waren er meer jonge mannen groter dan het gemiddelde dan kleiner, anderszijds was de spreiding van de lengtes boven het gemiddelde kleiner dan onder het gemiddelde. Onderstaande figuur brengt een en ander in beeld.
Aantal jonge mannen in een categorie naar lichaamslengte(cm) uit het Tilburgse militie-register van 1828.
De stippellijn geeft de gemiddelde lichaamslengte.



De langste Tilburger van 1809 was Josephus Hubertus Verbunt. Hij mat 177.2 cm. Het militieregister vermeldt dat hij als eenig kind een jaar (en daarna waarschijnlijk definitief) werd vrijgesteld.
De verreweg kleinste Tilburger van 1809 was Gerardus van den Hoek. Volgens het register was hij gebrekkig en misvormd en daarom wellicht op zijn negentiende slechts 132.9 cm lang. Gerardus, die schoenmaker was, is overigens een jaar later gewoon getrouwd en heeft de mooie leeftijd van 73 jaar bereikt.
De lichaamslengte van de kleinste (Gerardus van den Hoek) en de grootste (Josephus Hubertus Verbunt)
in 1809 geboren Tilburger uit het militieregister van 1828. Daarnaast de gemiddelde lengte van jonge mannen
in 1828 en in 2002.


Onder de 1.57 m (mogelijk 1.58 m) was je onder de maat en daarmee één jaar vrijgesteld (en bleef je onder de maat dan volgde definitieve vrijstelling). Definitieve afkeuringen wegens een lichamelijk of geestelijk gebrek kwamen bij de kleine ingeschrevenen meer voor dan bij de grote. Zo had Petrus Donders (157.5 cm) vrijstelling wegens zwak gestel, zoals ook Cornelius van der Schoot (152.8 cm). Joannes Baptista Laurijssen (149.5 cm) had last van zijn klieren en Joannes Christianus Hubert (146.0 cm) was ongeneeslijk ziek vanwege tinea capitis (een nu goed behandelbare schimmelinfectie aan de hoofdhuid), maar is toch nog 65 geworden. Joannes Cornelius Franken (149.0 cm) was kreupel aan het linkerbeen en Adrianus de Vries (145.0 cm) had een lidteken aan de knie. Adrianus van Gorp (155.2 cm) kwam niet voor het leger in aanmerking omdat hij zinneloos was. Bij de langere leeftijdgenoten viel op dat Waltherus Josephus Swaegemaekers (172.8 cm) een gebrekkig regter been had en Christianus Hoebens (171.6 cm) kortzigtig was. Van George Willem Vreede werd geen lengte genoteerd maar wel dat hij bijziend was en bij Joannes Baptista Goijarts waren gebrekkige lippen reden voor een definitieve vrijstelling.


Een aantal ingeschrevenen werd vrijgesteld wegens broederdienst of dankzij een plaatsvervanger. In 1828 zijn uiteindelijk 44 jonge mannen gedesigneerd, d.w.z. gerecruteerd voor de Nationale Militie. Vier mannen zijn daar niet levend van terug gekomen.



  • CBS, 2004. Statistisch Jaarboek 2004. Tabel 6, blz.89
  • De Beer, Hans, 2004. Observations on the history of Dutch physical stature from the late-Middle Ages to the present. Economics and Human Biology 2: 45-55.
  • Hoogendoorn, D., 1986. De toename van de lichaamslengte van de Nederlander en de aantrekkelijkheid van het tennisspel. Ned Tijdschr Geneesk 130(52): 2343-2344.
  • Zie ook: Het militieregister van Theo van Herwijnen in Verhalen over 1809.


Pieter van de Sanden, 29 mei 2009.

Persoonlijke instellingen